Contact

Ed Wennink

Meulepolle 4, Boijl.
Tel.   0561 421422
Mob. 06 46015195
E-mail: e.wennink@home.nl

Volg mij ook via

Volg Ed Wennink op Facebook Volg Ed Wennink op Hyves Volg Ed Wennink op LinkedIn Volg Ed Wennink op YouTube

Powered by Joomla! Hosted by Interwijs

Autobiografie (geschreven in 2003)

Geboorte

Ik ben geboren Amsterdammer, zag het eerste levenslicht op 23 augustus 1944 en was daarmee gelijk een oorlogskind.
Met de oorlog werd ik hiermee geconfronteerd toen mijn moeder met mij in de kinderwagen op 7 mei 1945 op de Dam stond om de bevrijding te vieren. Deze feestvreugde werd onderbroken door schietende Duitse soldaten vanaf de Grote Club. Deze Duitsers waren door de mazen van onze bevrijders geglipt. Mijn moeder was mijn reddende engel. Zij vluchtte hijgend achter de kinderwagen een dwarsstraat in terwijl op de Dam 22 doden en bijna 60 gewonden lagen.

Ons gezin bestond uit:
Vader Gerard Wennink, 31 januari 1920 - 10 juli 1984
Moeder Marie Wennink-Ygosse, 11 juli 1921 - 17 mei 2002
Zoon Ed Wennink, 23 augustus 1944
Zuster Hilda Wennink - Leek, 11 november 1946 - 6 april 2008
Zuster Astrid Wennink - Schutter, 30 december 1951 - 9 november 1978
Zuster Trees Wennink - van Heezik, 4 juli 1957

Jeugd

Ik was een vrij rustig en gevoelig manneke. Mijn moeder vertelde me dat ik bij droevige liedjes altijd mijn hoofd in mijn armpjes legde en snikte. Met hulp van mijn vader, die in zijn vrije uurtjes als bijverdienste horloges en klokken repareerde, gebruikte ik het loopwerk van een uurwerk als aandrijving voor een soort pick-up. Ik monteerde er een rond draagvlak op waarop de bakelieten plaat gelegd werd. Het geluid werd voortgeplant door een speld die aan twee kanten door een sigaretten vloeitje geprikt was.
Dit fungeerde als membraam. Als ik mijn oor bij dit membraam ten luister lag, hoorde ik muziek.

Bij de kruidenier haalde ik restanten van kassarollen waarop ik thuis met een zwarte Bic-ballpoint (want die had je toen al) stripverhaaltjes tekende, die ik projecteerde via een soort toverlantaarn die mijn opa voor mij gemaakt had. Woensdag- en zaterdagmiddag was het dan feest, want dan draaide ik mijn ‘films’ op de kolenzolder voor de in de buurt wonende jeugd. Hun ouders zagen aan de kolenvlekken gelijk waar ze die middag geweest waren.

Op de kleuterschool manifesteerde ik me als een ongelukkig jongetje. Mijn moeder werd al spoedig op school ontboden en de zuster, want ik zat op een Katholieke School, vertelde haar dat ik op de speelplaats vaak als een leeuw in een kooi langs de hekken liep en zachtjes huilde. Ik had gewoon heimwee.
Dit manifesteerde zich op een meer drieste manier toen ik als klein ventje voor zes weken naar het eiland Schiermonnikoog moest om in dat ‘vakantieoord’ als oorlogskind aan te sterken. Door vreselijk veel heimwee, want je ouders mochten je niet bezoeken, verloor ik juist meer gewicht. Ik vond het net een tuchtkamp. Later hoorde ik in een radio-uitzending dat sommigen die daar ook geweest waren, daar een trauma aan overgehouden hadden.

De lagere school

Vanaf 1951 bezocht ik de RK broederschool Sancta-Maria aan de Prinsengracht. Ik woonde in Amsterdam-Noord, voor de kenners ‘over het IJ’. Ik vervoerde mezelf per autoped. Reed over de vismarkt waar ik altijd gefascineerd werd door de sleepboten van rederij Goedkoop, die de grote zeeschepen moesten binnenloodsen; de Brouwersgracht met zijn vele pentekenaars die ik toen al bewonderde en als ik dan de doordringende vislucht van de fabriek Stokvis & Zoons rook, wist ik dat de school in de buurt was.

Ik kon goed met de broeders overweg, alhoewel er enigen bij waren die jongetjes heel aantrekkelijk vonden. De favorietjes moesten dan ook geregeld voorlezen.
Bij spannende delen gebeurde het dan wel eens dat broeder Columbus ongewild zijn harige hand in een broekje probeerde te stoppen waarop het afgeleide kind dan reageerde met: ‘Ik moet niet naar de wc!’ Hier werd verder nooit over gesproken. Wisten wij veel! Wij dachten inderdaad altijd dat de broeder een speciaal antennetje had voor jongetjes in hoge nood.

Voor tekenen had ik een hoog cijfer en soms mocht ik zelfs de ‘tekenbroeder‘ vervangen als hij even de klas uit moest. Schoonschrijven deed ik als de beste. Won zelfs een landelijke prijs. Is vast erfelijk want ook mijn vader had een prachtig handschrift. Soms schreef hij zijn dronkemansmijmeringen op een bierviltje en viel mij zijn handschrift op. Later beweerde een oude man die mij op de Muziekschool aan het schrijven zag dat ik een reïncarnatie van een schrijvende monnik was, die prachtige sierletters met een veer op perkament kraste.

Heel belangrijk in deze schoolperiode was mijn omgang met Tommy Ummels. Tommy was de zoon van een Limburgse caféhouder die zijn café ’t Hoekje op de hoek van de Warmoesstraat / Oudekerksplein had. Mijn vrije tijd bracht ik dan ook vaak op de walletjes door. Ons geld verdienden we door boodschapjes te doen voor de hoertjes, zoals sigaretten halen. Een spannende vrijetijdsbesteding was met de fiets door de Trompettersteeg te scheuren zonder de muren of de ‘spionnetjes’ (een soort autospiegel waarin een hoertje eventuele klanten kan zien aankomen) te raken. Deze steeg is de smalste van Amsterdam en de muren staan een ‘fietsstuurbreedte’ van elkaar.

Met Koninginnedag liep Tommy met zijn accordeon en ik met de centenbak met een air van een orgeldraaier. Als we genoeg geld hadden, gingen we naar Tuschinski, voor mij de mooiste bios van de wereld. De verlichting van dit theater is deels door mijn opa aangelegd. Ik heb in deze periode echt genoten en een hoop levenservaring opgedaan. Op meer serieuze momenten ging ik, meestal alleen, naar de Oudemanshuispoort, een lange, donkere doorgang die loopt van de Oudezijds Achterburgwal naar de Kloveniersburgwal, waar tweedehands boeken, prenten en gravures te koop waren. ’s Avonds werd dit moois in kasten, die in de muur zaten, met gegrendelde deuren afgesloten. Spannend vond ik dat. Al die boeken met soms van die enge gravures in die muur. Alsof daar achter die deuren een levende, andere wereld zat. Ik zou er zo een film van kunnen maken.

Een andere vriend van me was Japie Guit. Een jongen uit mijn straat (Nachtegaalstraat in Amsterdam Noord) met als vader een potige politieman die Japie, die echt van alles uithaalde, bestrafte met een gummiknuppel. Japie jatte alles wat los en vastzat, deed zijn behoefte in de kast op zijn slaapkamer en maakte zijn moeder radeloos door met haar nieuwe zondagse jurk over straat te lopen, om over haar hoge hakken, die fragieler waren dan hij vermoedde, maar niet te spreken.
Met Japie verdiende ik de kost door lege flessen te lenen uit een fabriek en deze in te wisselen voor statiegeld. Ik heb eigenlijk nooit begrepen dat dit bij de melkboer geen argwaan wekte. Al die lege melkflessen. Zo gezond zagen we er ook weer niet uit. Japie is toch wel goed terechtgekomen. Toen ik een paar jaar geleden musiceerde in het tv-programma ‘Er is meer tussen Hemel en Aarde’ stond daar, naar ik meende, Japie als cameraman. Later ontdekte ik dat Tommy een koffiebar genaamd Sheeba Coffeeshop in de Warmoesstraat te Amsterdam runt. Deze levert hem geen windeieren op.
Ik heb weer contact met Tommy. Recentelijk is hij naar La Nucia in Alicante verhuisd en bewoond daar een ruime villa met zwembad.

Relatie met mijn vader

Doordat ik ten gevolge van een motorongeluk met mijn vader een been brak moest ik een jaar blijven zitten. In het laatste jaar kregen we een beroepentest. Ik bleek niet creatief te zijn en de rest van de test was ook niet ‘je van het’. Advies: naar de LTS (Lagere Technische School). Mijn vader werd toen heel kwaad. Ten dele omdat hij mij als een veredelde vorm van zichzelf wilde zien. Hij was scheepstimmerman, maar wilde medicijnen studeren. Kon volgens hem in die tijd niet.  Er was geen geld. Later bleek dit onzin te zijn. Zijn vader was diamantslijper en er heerste in dat gezin nou niet bepaald armoede. Pa had gewoon geen doorzettingsvermogen. Was een prima vakman en om de drommel niet dom. Wel een beetje een dagdromer. Schreef geregeld stukjes. Was veel met taal bezig. Zijn grote hobby was wiskunde. Als ik i.v.m. huiswerk een vraag had, snauwde hij me af. ‘Waarom begrijp je dat nou weer niet!’ Dit terwijl ik altijd met goede rapporten thuiskwam en zelfs ‘erekaarten’ voor bepaalde vakken in de wacht sleepte. Later vertelde mijn moeder wel eens hoeveel medelijden ze dan met me had. Was het onkunde van mijn vader? Ik weet het niet meer. Al met al legde hij zich niet bij de uitkomst van de beroepstest neer en schreef me in voor de ULO.

Muziek

In het weekend repeteerde mijn vader met wat vrienden. Zij speelden muziek in de stijl van de Kilima Hawaiians, echter zonder de traditionele bloemenkrans om hun nek. De repetities waren bij ons thuis. Ik was toen een jaar of 8. Mijn oom Ton speelde gitaar en dat sprak me erg aan. Ik wilde ook een gitaar. We hadden het thuis niet bepaald breed, dus het werd een gitaar van triplex met een hals die neigde tot kromtrekken.
Later, toen ik voor het eerst de muziek van de Shadows hoorde en ik die probeerde na te spelen, was mijn gitaar verworden tot een pijl en boog, de hals was zo krom als een hoepel en een barré-akkoord was zelfmoord. Gelukkig kwam de pastoor, we waren katholiek, met zijn dikke derrière te hulp. Door een gelukkige samenloop van omstandigheden plofte hij met zijn volumineuze kont op mijn gitaar en … de gitaar was total loss. Zoals een goed katkoliek betaamt, betaalde hij de schade en verhaalde deze via de collectebus op zijn roomse schapen. Met wat geld van m'n moeder erbij kreeg ik een redelijk goede gitaar. Ik kocht van mijn zakcentjes een element en ik kon gaan Shadowen. Al gauw speelde ik in een bandje.

De ULO-periode

In 1954 werd ik geplaatst op de St. Ludgerus ULO. Deze school stond in Amsterdam-Noord, tien minuten rennen vanaf mijn huis. De autoped was ik ontgroeid. Na een jaar werd mijn vader op school ontboden. Het hoofd van de school, de heer Pustjens, deelde hem mee dat Ed een klas mocht overslaan. Mijn vader, verbijsterd door de uitkomst van mijn beroepentest, groeide. Zijn zoon, en ook hijzelf … een klas overslaan? Ik tekende in die tijd veel. Schreef me in voor de Famous Artist School; een Body Building Cursus en kocht mijn eerste pakkie sigaretten. Het merk was Gipsy en kostte 50 cent. Het eerste trekkie herinner ik me niet als onaangenaam maar … als een ultiem genot zonder weerga. De Famous Artist School liet ik na een half jaar voor gezien. Schrikbarend duur en meer plaatjes dan uitleg. De Body Building Cursus verdween op ‘n gegeven moment vanuit de brievenbus rechtstreeks in de oud papierdoos. Eén van de veren van mijn oefentuig schoot los, scheerde rakelings langs mijn kin en schaafde indringend mijn rechterschouder. Genoeg gebodybuild! Dit hoorde niet bij artiesten, want daar was ik langzamerhand, ondanks de negatieve beroepentest, wel achter gekomen … ik was een artiest en artiesten deden niet aan bodybuilding. Op woensdagmid-dagen ging ik in aangenaam gezelschap van mezelf naar de Vrije Universiteitsbibliotheek nabij het Maagdenhuis, waar ik ging werken aan mijn intellectuele image. Ik leerde Latijnse citaten uit mijn hoofd, las in Plato’s dialogen waarin vooral Socrates en de gifbeker mij aansprak; de Divina Commedia van Dante Alighieri riep allerlei fantastische beelden in me op en ik leerde tellen in verschillende talen. Waarom deed ik dit? Vanuit een tomeloze interesse en natuurlijk speelde de frustraties door mijn vader een belangrijke rol. Frappant is dat ik de meeste dingen die ik daar leerde nog steeds weet. In het laatste schooljaar kwam ik steeds meer in contact met mijn klasgenoot en wielerfanaat Gerard Joling, niet te verwarren met de nationaal bekende castraat. Mijn vader bouwde mijn fiets om tot semie-racefiets en ’s morgens voor ik naar school ging, peigerde ik mezelf helemaal af, waarna de meeste lessen niet meer tot me doordrongen. Gevolg … zakken als een baksteen. Alleen voor tekenen kreeg ik een tien! Ik heb de laatste klas nooit meer overgedaan, omdat ik eigenlijk altijd een bloedhekel aan school had. Ik wilde weer vrij kunnen ademen en mezelf overgeven aan creatieve impulsen.

Film, schilderen en tekenen

Ik verzamelde in die tijd postzegels en na schooltijd belde ik bij mensen aan om te vragen of ze nog oude enveloppen met postzegels erop hadden. Op een zeker moment drukte ik op een bel met daarnaast een naambordje met als opschrift ‘dr. John B. Knipping’. Ik liep vaak langs dit oude huis en zag daar geregeld een oude man voorovergebogen achter een typemachine. Het was een niet alledaags type die je geregeld tegenkwam als hij zijn hazewindhonden uitliet. Onder zijn alpinopet een bleek gezicht, enigszins krommende neus en een dampende pijp die een exotisch aroma achterliet.

Een artistiek uitziende vrouw met klassiek gezicht en een knotje deed open. Ze gaf me de enveloppen waar ik om vroeg en toen ik mijn nieuwsgierigheid betreffende haar huisgenoot onder woorden bracht, mocht ik verder komen.
Dr. Knipping was een aimabel mens. In zijn omvangrijke boekenkast stonden boeken onder zijn naam over kunstgeschiedenis. Hij was docent aan de Filmacademie, was medeoprichter van het Nederlandse Filminstituut en gaf les aan de Kunstnijverheidsschool (thans  Rietveld-academie). Ik vertelde hem dat ik tekende en onlangs enige olieverfschilderijen had gemaakt. Hij was zeer geïnteresseerd en vroeg me eens met mijn werk langs te komen. Dat deed ik en hij reageerde enthousiast met: ‘Jongetje, jongetje, je moet hiermee doorgaan!’
Hij maakte voor mij een afspraak op de Kunstnijverheidsschool en daar werd me o.a. voorgesteld een aantal vlotte zelfportretstudies in houtskool te tekenen, zodat ze het tekenverloop konden volgen. Daarnaast moest ik de in te leveren map aanvullen met andere werkstukken. Mijn tekeningen werden beoordeeld en ik kon toegelaten worden. Enthousiast ging ik naar huis, maar mijn ouders zagen dit toekomstbeeld helemaal niet zitten. Een kantoorbaan, dat betaalt tenminste!

Ik ging werken bij AZA (Algemeen Ziekenfonds Amsterdam). Mijn ouders hadden helemaal niets met kunst. De enige twee kunstwerken aan de muur waren een jochie met een opwellende traan en een zigeunerinnetje dat quasi uitdagend de kamer inkeek.
Langzamerhand ontstond er een vriendschap tussen John en mij, die met argusogen door vooral mijn moeder werd bekeken. ‘Hij heeft toch geen andere bedoelingen met je’, probeerde ze voorzichtig. Ondertussen wist ik dat dit geenszins aan de orde was. Van horen zeggen was mijn goede vriend  jaren geleden uit het priesterambt gezet toen bleek dat hij de schoonmaakster van de sacristie als een tastbaar kunstwerk zag.

Hij was in het bezit van een filmpas (voor twee personen) waarmee je naar iedere willekeurige film kon gaan. Ik bezocht met hem allerlei films. Ook nam hij me meer naar de filmkeuring waar ik Fred Emmer voor het eerst zag. John kende veel mensen in Hollywood en hij vertelde me dat hij zelfs met Sophia Loren aan het winkelen was geweest. Hij scheen ook de opnames van Ben Hur bijgewoond te hebben. Nu ik, via Google, wat speurwerk naar John doe ontdek ik dat hij veel bekender was dan ik dacht. Ik wist dat hij een erudiet mens was, maar dat hij wijsbegeerte, psychologie, filosofie en theologie studeerde, was voor mij onbekend. Zijn volledige naam was John Baptist Knipping (1899-1973). Hij was Franciscaan en nam de kloosternaam Bonfilius aan. Onder deze naam gaf hij lezingen en publiceerde hij vele jaren.
Over zijn verdiensten sprak John weinig.

Na schooltijd bezocht ik verschillende filmverhuurbedrijven waaronder Paramount, Warner Bros, Universal, MGM enz. Ik probeerde dan stukken oude 35 mm films te bemachtigen, die ik vervolgens met thinner schoonmaakte en waarop ik dan met watervaste inkt figuurtjes tekende. Vierentwintig beeldjes voor een seconde film. Het was een heel minuscuul karweitje en de bewegingen moesten soepel verlopen. Mijn vader had speciaal voor dit doel een plankje gemaakt waarin vier spijkertjes zaten waarvan de koppen waren afgeknipt. De perforatiegaatjes van zo’n filmbeeldje paste hier precies in, waardoor ik het volgende beeldje (frame)  exact op het vorige beeldje kon leggen en het verschil in beweging kon gaan tekenen. Ik kreeg er altijd een kick van. Ik liet John eens een dergelijk stukje film zien en hij bracht me in contact met Charles Huguenot van der Linden. Deze won in 1963 met ‘Bouwspelement’ een Gouden Beer en in 1973 een Oscar voor ‘Die kleine wereld’. Charles was onder de indruk van mijn twee minuten durend filmpje en raadde me aan hierin een studie te volgen. Samen bezochten we de studio van Maarten Toonder en Joop Geesink van Dollywood Productions (Loekie de Leeuw). Ook brachten we een bezoek aan een instelling in Hilversum om me daar eventueel in te schrijven. Een paar tekenaars van Walt Disney en Walter Foster gaven daar een cursus. De militaire dienst maakte hier echter een eind aan.

Zie: Schilderen – Dr. John B. Knipping en: Films / Foto’s – Films – Charles Huguenot van der Linden.



Vader en alcohol

Pa had eigenlijk een pesthekel aan werken. Iedere dag keek hij in de krant bij de rubriek ‘rouwadvertenties’. Hij zocht dan naar een eventuele oproep van een notaris genaamd Calkoen. Pa beweerde dat een van onze voorvaders, Gerardus Harmanus Wennink, getrouwd was met een vondeling. Later bleek dat deze vondeling van adel was en er een legaat (testamentaire beschikking) aanwezig moest zijn. We zouden zelfs recht hebben op landgoederen in de buurt van Loenen en Breukelen. Deze voorvader scheen door een klap op zijn hoofd gek te zijn geworden en in een gesticht te Venendaal zijn beland. Bij zijn dood was er schijnbaar een curator aanwezig en deze heette Calkoen. Het was destijds blijkbaar een schande om met een vondeling te zijn getrouwd, waardoor de erfenis generaties overgeslagen werd. Dit is een heel lange geschiedenis, maar om het kort te maken, hoopte mijn vader nog steeds op die volgens hem ‘miljoenenerfenis’. Ik ben er zelf met een neef van mij heel intensief mee bezig geweest, maar er zijn te weinig echt betrouwbare gegevens. Pa had tal van baantjes gehad, maar had het nu reuze naar zijn zin bij de Erven Lucas Bols waar hij o.a. wijn bottelde. Samen met onze buurman, die daar ook werkte, reden zij ’s avonds zigzaggend en met luid gezang op de fiets onze straat in. Meestal stonden de Parelvissers op het repertoire. De drank begon hem in beslag te nemen. Behoudens zijn kwaje dronk moest ik soms wel ontzettend lachen, bijvoorbeeld toen hij een keer in beschonken toestand uit de kroeg op weg naar huis was en ik in zijn gezichtsveld kwam. Vol gêne verborg hij zich achter het bushaltepaaltje. Het leek of hij in tweeën gedeeld werd zonder neus. Achter zijn rug hield hij een goedkoop bosje gele tulpen als goedmakertje voor mijn moeder die zijn dronkenschap verafschuwde. Vaak als hij in de kroeg zat, moest ik hem tegen etenstijd ophalen. Hij reageerde dan met: ‘Kijk, dat is mijn zoon Ed, hij studeert medicijnen.’ Ik volgde mijn vader in zijn voetsporen, want hij had ondertussen zijn lalgenoten toevertrouwd dat hij huisarts was. Doordat hij geregeld in medische encyclopedieën neusde, wist hij het een en ander aan termen.
Ik moest dus weer aan het beeld van mijn vader voldoen. Dit zou me mijn hele leven blijven achtervolgen, in die zin dat ik me steeds wilde waarmaken.

Militaire dienst

1964-1965 militaire dienst, Koninklijke Luchtmacht Nijmegen. Later bij de geleide wapens in Duitsland. Ik vormde daar een bandje waarmee we op militaire feestjes optraden. Ook maakte ik in de officiersmess, samen met een medesoldaat, een aantal muurschilderingen. Om de tijd te doden, volgde ik een cursus Zweeds en  voor mezelf vertaalde ik een boek over ‘animation’. Dit boek handelde over het maken van teken- en trucfilms. Charles Huguenoot van der Linden deed me dit eens cadeau.

Blues Group Five (James Walker)

Na 19 maanden militaire dienst weer naar kantoor; het was januari 1966. Op een dag kwam er een verzekeringsagent bij ons aan huis en die zag mijn gitaar in de kamer staan. Hij vertelde dat zijn zoon drummer was en in een band zat. De sologitarist van die band stopte ermee en … misschien was dat wat voor mij. Ik ging naar de repetitie en het klikte meteen. In die band zaten twee broers, de zanger en de bassist. De broers nodigden me na de repetitie uit om met hen naar huis te gaan. Ze woonden in de Valeriusstraat in Amsterdam Zuid. Hun vader bleek altviolist in het Koninklijk Concertgebouworkest te zijn. Ik zat dus in het hol van de leeuw. Ook hadden ze een leuke zus, Yolanda genaamd. Zij was toen 13 jaar en zou later een belangrijke rol in mijn leven gaan spelen.
Na nog een slaggitarist in Henny Delorme te hebben gevonden, was de band 'Blues Group Five' geboren. We waren de eerste rhythm & bluesgroep van Amsterdam en ik denk wel van heel Nederland.
We kregen bekendheid door het maken van een singletje bij CBS met o.a. een compositie van onze zanger André Schutter (tekst) en mezelf (muziek) met de titel 'Come and See'. We wilden daar een hammondachtig orgeltje bij hebben en toen heeft Hans van Eyck (componist van o.a. Goede Tijden, Slechte Tijden) meegespeeld.
Toen onze zanger i.v.m. keelklachten niet meer mocht zingen, kregen we een Amerikaanse zanger, James Walker genaamd. De band heette nu ‘James Walker and his Blues Group Five’. Omdat de Rhythm & Blues een heel nieuwe muziekstroming was en bepaald nog niet commercieel genoemd kon worden, moesten we het afleggen tegen groepen als 'The Outsiders', Cuby (Harry Muskee), Tee Set, After Tea, Golden Earring etc.
Trots ben ik op een foto waar onze groep samen met de legendarische B.B. King staat.

Door de muziek die wij speelden veranderde mijn muzikale smaak volkomen. Dit tot grote ergenis van mijn ouders die meer luisterden naar Heintje, Johnnie Jordaan, Tante Leen en nog meer van dat Amsterdamse goed.
De deur viel helemaal dicht toen ik een buurjongen aan de overkant ‘Take Five’ van Dave Brubeck hoorde draaien. Dit was het nieuwste van het nieuwste en mijn eerste confrontatie met jazz. Ik vond het geweldige muziek en kocht allemaal tweedehands platen bij Concerto in de Utrechtsestraat in Amsterdam. Vooral mijn moeder liep bij het afspelen van die platen gillend naar de buren. Ook onderging mijn haardracht en kleding een metamorfose in deze provotijd van witte fietsen, vrije seks, (ondertussen springt het twee maanden oude poesje Sientje, afk. van Rooie Sien, op het toetsenbord om zijn eigen verhaal in een soort kattencode te typen) Kabouterstad Amsterdam, Roel Duyn, Bangladesh en Bob Dylan. Ik had lang haar en droeg paarse kleren en het liefst nog een oude jas van het Waterlooplein. Mijn moeder heeft verscheidene keren kleding van me in de vuilnisbak gestopt.
Vaak was ik te vinden op het Spui waar het Lieverdje symbool stond voor allerlei protestbijeenkomsten van o.a. Simon Vinkenoog. Bij slecht weer nam ik enige tapbiertjes in café Hoppe (met nog zaagsel op de grond) waar Simon Carmiggelt geregeld zijn verhalen schreef. Ja, ik ben en blijf met hart en ziel Amsterdammer. Ik houd echt van die stad!

Zie: Muziek – Blues Group Five.



Klassiek gitaar / Yolanda

Ondertussen werd de relatie met Yolanda steeds serieuzer en haar pa vond dat ik toch maar een muziekopleiding moest gaan volgen. Ik was toen 22 jaar. Ik kocht mijn eerste klassieke gitaar en ging privé-les nemen bij Gerard Gest. Hij was hoofdleraar klassiek gitaar aan het Amsterdams Conservatorium. De leerling die altijd voor mij kwam, was Jan Akkerman. Toen ik laatst met Jan sprak, hebben we het nog over die tijd gehad. Ik werd nu voor het eerst met het notenschrift geconfronteerd. Daarvoor deed je alles uit je hoofd. Je probeerde gewoon de gitaarpartijen die je hoorde zo goed mogelijk na te spelen. Theorieles kreeg ik van Hennie Schouten (hoofdleraar theorie Amsterdams conservatorium). Het ging goed met de lessen en na een jaar stelde Gerard me voor om les te gaan geven aan de Muziekschool in Den Burg op Texel. Daarnaast werkte ik nog halve dagen op kantoor en speelde in de band.

Verhuizing naar Drenthe

Mijn toenmalige schoonouders gingen vaak in Drenthe op vakantie. Ik moest ook maar eens komen. Zelf was ik nog nooit in Drenthe geweest. Op school in Amsterdam leerden we altijd:
Drenthe: bonkveen en zandgrond. Nou dat klonk niet bepaald uitnodigend. Maar toen ik die provincie zelf zag, was ik meteen verliefd. Het landschap straalde een poëtische schoonheid uit, verstild, lommerrijk, een levend schilderij. Als ik de kans kreeg, zou ik in deze inspirerende ambiance mijn draai wel kunnen vinden. Het was de pendant van mijn roerig, bruisende Amsterdam. Een kennis van mijn schoonouders was pianodocente aan de muziekschool in Assen en zij vertelde mij dat er bij hen een gitaarleraar gezocht werd. Ik moest maar een afspraak maken met dhr. Keuning in Assen. Deze in een cognackleurig, ribfluwelen pak gestoken man vond het heel aantrekkelijk een gitaarleraar te krijgen, die zowel klassiek als modern gitaar kon onderrichten. Op voorwaarde dat ik aan een conservatorium ging studeren, kreeg ik de baan. Tevens vertelde hij me dat zijn collega P.C. de Geele in Hoogeveen ook wel interesse zou hebben. Ik maakte een afspraak met P.C.                            

Hoogeveense muziekschool / conservatorium / trouwen

De Hoogeveense Muziekschool was in die tijd gevestigd aan het Wilhelminaplein, gelegen in het hartje van de Hoogeveense Jordaan, want zo noemde ik die plek altijd. Toen ik vanuit Amsterdam met de trein het ‘toen nog mooie’ Hoogeveense stationnetje binnenreed, werd ik bij het uitstappen verrast door een complete familie ganzen. Wel even wat anders dan het CS in Amsterdam, waar je gelijk door een kruier met koffers van reizigers voor de sokken werd gereden. Het was mei 1970 en schitterend weer. Auto’s zag je vrijwel niet en ik had het gevoel of ik een reis in een tijdmachine had gemaakt, terug naar de jaren ’50-’60. Ik liep richting gemeentehuis waar ik een gesprek met P.C. zou hebben. Onderweg was ik een soort bezienswaardigheid. Ik had lang haar, een paars ribfluwelen broek, natuurlijk met wijd uitlopende pijpen (die ik nu ook weer zie) en paarse bordeelsluipers van het merk Clark. In deze tijd zouden de jongelui spreken over een ‘alto’ en in mijn tijd spraken ze over ‘werkschuw, langharig tuig’. Langharig was ik wel, maar werkschuw bepaald niet. Enfin, toen ik het gemeenthuis inliep, plaatste ik mezelf op één van de houten banken en las mijn ‘Groene Amsterdammer’. Als ‘intellectuele’ en ‘artistieke’ Amsterdamse provo las je natuurlijk die krant. Ondanks mijn kleding en andere ideeën kreeg ik de baan. Ik kon al in augustus beginnen. Ik abonneerde me direct op de Hoogeveense Courant met het oog op huisvesting. Een paar weken
later werd ons een deel van een boerderij te huur aangeboden.

Yolanda en ik trouwden begin augustus 1970. Ik was 25 en zij pas 17 jaar. Het feest bestond uit een uitgebreide broodmaaltijd met soep, gevolgd door alcoholisch genoegen. Als bruidsuite fungeerde de slaapkamer van mijn ouders, die zij vrijwillig afstonden. Wij werden verhuisd door een paar morgensterren (mensen die ’s morgens vroeg bruikbaar grof vuil verzamelen). Ik begon met mijn studie aan het Zwols Conservatorium nadat mijn dispensatieaanvraag met betrekking tot het niet in het bezit zijn van een ULO-diploma gehonoreerd werd. Een ULO-diploma was voor deze HBO-opleiding een vereiste. Toen ik mijn diploma conservatorium in ontvangst mocht nemen, merkte ik dat mijn vader trots op me was. Het was dan wel geen studie medicijnen, maar een diploma conservatorium kreeg ook niet iedereen. Ik dacht hierdoor meer zelfvertrouwen te krijgen. Tenslotte had ik mijn rijbewijs ook gehaald. De studies Nederlandse en Engelse handelscorrespondentie die ik na de ULO in mijn avonduurtjes deed, volgde ik ook met succes. Toch zou ‘de geest van mijn vader’  mij blijven achtervolgen.

Mijn zwager, de bassist van onze band, ging naar het conservatorium in Amsterdam. Later trouwde hij met mijn zus Astrid en werd contrabassist in het Koninklijk Concertgebouworkest en het Amsterdams Kamerorkest. Mijn zus is helaas op jonge leeftijd gestorven.

In Hoogeveen begon ik een afdeling lichte muziek op te zetten. Het was tot nu toe allemaal klassiek gitaar; modern gitaar werd nog helemaal niet serieus genomen. De afdeling lichte muziek werd langzamerhand een belangrijke poot van de muziekschool. In 1971 startte ik met popcombo’s. Later werd dit uitgebreid met een Bigband waar collega Martin Oosterwijk zich mee ging bemoeien. Voor de  combo- en improvisatielessen componeerde en arrangeerde ik vrijwel alle stukken. Voordeel hiervan was dat ik rekening kon houden met het muzikale niveau van de deelnemers. Ik krijg nog al eens de vraag: ‘Vind je het nou nog steeds leuk dat lesgeven?’ ‘Ja, antwoord ik dan, het is altijd een uitdaging om te kijken hoever je met iemand komt.’ Daarnaast kan ik de methodes en de composities die ik schrijf op een bepaalde doelgroep uitproberen. Natuurlijk waren er ook heel talentvolle leerlingen die naar het conservatorium gingen. Totaal zo’n zes, denk ik. Sommigen speelden met Candy Dulfer, Jos Brink, Liesbet Liszt, Michiel Borstlap, Robert Long e.a. Leuk dat ik hier een aandeel in gehad heb.

Zie: Muziek – Muziekschool.



Zangeres Lianne Abeln

In 1975 moest ik bij de toenmalige RONO (Radio Noord), waar ik geregeld sessiewerk deed, een zangeres begeleiden waarmee ik nu alweer bijna dertig jaar samenwerk: Lianne Abeln. Ik begeleid haar en schrijf alle arrangementen. Een zeer muzikale vrouw die prachtige liedjes maakt en tevens mijn beste vriendin is. Met Lianne maakte ik verschillende elpees en cd’s. Ook namen we een dubbelelpee op met songs van George Gershwin en Cole Porter, die zij in het Gronings vertaalde. Veel teksten werden geschreven door David Hartsema, de man die ook een van de winnende songfestival liedjes 'de Troubadour' (1969), gezongen door Lenny Kuhr, schreef. Lianne schrijft vrijwel alle muziek en tegenwoordig ook de meeste teksten. Naast het Gronings repertoire zingt ze perfect Frans. Een paar jaar geleden hebben we bij radio Drenthe een live optreden samen met de toen nog in leven zijnde accordeonist Dick van Rijnberk gedaan. Een beest op het gebied van de Franse musette. Het optreden was een zodanig succes, dat er van de opname meteen een cd gemaakt werd. In de loop der jaren hebben we veel optredens verzorgd: voor plattelandsvrouwen tot en met congressen, koningin Beatrix en prins Claus, Pieter van Vollenhove, prinses Margriet, allerlei ministers en politieke partijen. Ook radio- en tv-optredens: radio Noord, radio Drenthe maar ook met Hans van Willigenburg, Gerrit den Braber, Karel Prior, Berend Boudewijn, Herman Emmink, Aad van de Heuvel, de orkesten The Skymasters, The Ramblers, Cor Bakker, de Duitse TV zender NDR enz.

Zie: Muziek – Lianne Abeln)

 

 

Zonen

Yolanda en ik besloten kinderloos te blijven gedurende de tijd dat ik aan het conservatorium studeerde. Na mijn studie werd Maurice (1976) geboren, genoemd naar Maurice Chevalier, de Franse Amerikaans zingende zanger met rieten hoed. Het was een heel rustig jongetje met grote blonde krullen en blauwe ogen. Hij is nu 28, zeefdrukker en fanatiek gitarist die zijn eigen muziek opneemt met zijn muziekbroeders Tim Kittle en Jeroen Boom. In 1980 werd Vincent geboren, natuurlijk vernoemd naar Vincent van Gogh. Vincent had een totaal ander karakter. Ik zie hem nog als klein kereltje in de tuin lopen met in iedere mondhoek een kronkelende worm. Vincent had iets met insecten. Op jeugdige leeftijd was ik een geliefd gynaecoloog die zijn spreekuur het liefst achter de rododendrons hield. Vincent was meer verknocht aan zijn krioelende insectenpraktijk. Verschillende keren heb ik hem bij het politiebureau moeten wegslepen en op een gegeven moment had hij op zolder een miniatuur weedplantage die hij, nadat ik wilde meedelen in de winst omdat hij tenslotte mijn stroom gebruikte om de planten van de noodzakelijke warmte te kunnen voorzien, wederom afbrak. Vincent is een komiek en spelletjesman, die daarnaast goed pianospeelt. Een conservatoriumopleiding zou wel weggelegd voor hem kunnen zijn, maar of daar zijn echte liefde ligt? Hij is nu bijna klaar met zijn studie ‘Mens en Informatica’. Hij heeft al negen jaar verkering met Maartje die schooljuf is. Sinds haar vader die dierenarts was overleed, heb ik een bijzondere band met haar gekregen. Ik ben niet echt een vaderfiguur, mijn zoons hebben mij altijd Ed genoemd en Yolanda was Ma, maar meer een goede vriend met een luisterend oor. Maurice en Vincent zijn naast broers goede vrienden. Vrijdag is hun avondje uit! Vincent haalt dan Maurice van het station en daarna zijn ze te vinden in hun stamkroeg waar ze zich vermaken met poolen en het drinken van een biertje. Tot een jaar geleden was ik vaak nog op als ze thuiskwamen, tegenwoordig niet meer.

Muziekboeken schijven / uitgevers

Vanaf mijn vroegste jeugd heb ik altijd gedroomd over een boek van mij dat zou worden uitgegeven. Al was het er maar eentje! Het zijn 36 muziekboeken geworden, uitgegeven bij bekende muziek-uitgevers. Toen Wim Schut, van Wolters Noordhoff, bij Lianne Abeln (zie Muziek-Lianne Abeln) op bezoek was voor het project “Grunneger Laidjes’, liet Lianne met trots (volgens haar zeggen) mijn dikke, met de hand geschreven gitaarmethode aan hem zien. Ook lag daar een opzet voor vier combostukken. Hij vroeg of hij er in kijken mocht, nam het geheel mee en belde me later of het uitgegeven mocht worden. Dit was de eerste aanzet voor het schrijven van meerdere gitaar- en basgitaarmethodes, speelboeken voor gitaar, combo stukken en de songbooks van Ed & Steve. Deze schreef ik (Ed) samen met mijn oud-leerling en vriend Stephan (Steve) Mooibroek. Veel van mijn boeken kom je vrijwel in alle muziekzaken in binnen – en buitenland tegen.
Ik ben nu alweer zeven jaar auteur bij een van de grootste muziekuitgeverijen: de Haske in Heerenveen.

Zie: Muziek – Uitgeverijen.



Follies

Voor mijn verjaardag (1995) kreeg ik naar aanleiding van een tv-programma over follies van Yolanda het boek ‘FOLLIES’ van de auteur Wim Meulenkamp. Volgens hem is een follie een bouwkundige dwaasheid. De term ontstond in Groot-Brittannië en werd door het publiek gebruikt om gebouwen aan te duiden, die men als onzinnig, nutteloos of bizar ervoer. Zondags stapten we, Yolanda, Walter en ik, in de auto en gingen we op ‘folliejacht’. Je zag dan bijvoorbeeld een stukje ruïne dat zou kunnen duiden op het restant van een vroeger kasteel. Bij nader onderzoek bleek dat er op die plaats nooit een kasteel gestaan had. Een narcistische betovergrootvader had dit stukje kasteelmuur gemetseld om te suggereren dat zijn vader een kasteel bezat. Geheel dus ter zijner glorie. Het was altijd een avontuur en je wist nooit wat je tegen kon komen. Soms waren de follies zo verstopt, dat je uren moest zoeken. Eénmaal stond er op een privé-terrein een verdwaasde kleinzoon van een hertog met een dubbelloops jachtgeweer dreigend in onze richting te kijken. Vaak schoven we Yolanda naar voren, die met haar aantrekkelijke uiterlijk toegang tot dit soort privé-terreinen kon forceren. De laatste follie die ik mocht aanschouwen, was in het gehucht Swalmen nabij Roermond. Jan Janssens, gewezen bouwvakker, heeft in zijn tuin zijn eigen miniatuurwereld bij elkaar gemetseld. Met piepkleine, zelfgebakken steentjes liet hij halfmanshoge gebouwtjes verrijzen. Zijn architectonisch vernuft gebruikte hij om futuristische bolwoningen, Thunderbird-villa’s, landelijke watermolens enz. te bedenken en daarna uit te voeren.
Het follieboek heeft een vaste plaats in het dashboardkastje van mijn auto. Je weet het maar nooit!

Zie: Follies.

Burgelijkheid

Als ik ergens een aversie tegen heb, zijn dat burgerlijke mensen. Kleingeestige mensen die bij de kassa staan te dringen om hun Story, Privé of Weekend te kopen. Mensen die te weinig meemaken om hun eigen verhaal te vertellen. Zij kicken en leven op de roddels die genoemde bladen maken zoals ze zijn. Sommigen zien de figuren waarover ze lezen als een soort verpersoonlijking van zichzelf. Eigenlijk heel pathetisch. Toen Vincent nog op een voetbalclub zat, verbaasde ik me altijd over de vaders in trainingspak liefst in signaalkleuren, die om in evenwicht te blijven met hun buik over de afrastering hingen, naarstig trekkend aan hun met goedkope, zware shag gevulde hulsjes van vloeipapier om af en toe in een eindeloos durende hoestbui te smoren. Toppunt van burgerlijkheid, rijen van dit soort vaders te zien terwijl ze misschien denken dat ze, kijkend naar de sportieve prestaties van hun zonen, zelf aan hun conditie sleutelen. Op Pulledagen zie je dit soort onaantrekkelijke mensen doelloos achter elkaar aan schuifelen. Waar denken ze aan? Is hier ooit een landelijk onderzoek naar gedaan?

Scheiding

Vrienden uit onze omgeving noemden ons wel een uitgestorven ras. Vrijwel iedereen was gescheiden en wij waren na dertig jaar nog steeds bij elkaar. Walter, onze inmiddels 71 jarige vriend, trakteerde ons in Amiens (Normandië 5 augustus 2000) nog voor dit heuglijke feit op een etentje. Hoewel het leven van Yolanda en mij vrij turbulent genoemd mag worden (feesten, verliefdheden, de vele optredens), hadden we nog geen genoeg van elkaar. De rek was er nog niet echt uit, zoals je wel eens op terrasjes ziet waar man en vrouw onder het genot van een kop koffie met appeltaart uit de reclame ieder in een andere richting zitten te staren. Er is totaal geen verbaal contact, om over een aanraking maar te zwijgen. Natuurlijk hadden we ook knallende ruzies met wijnglazen die het luchtruim kozen en uit elkaar spattend een rode wijnvlek op het flessengroene bankstel lieten zien. Het was een complementair spel dat zijn weerga niet kende.

De ommekeer kwam toen Yolanda een te hoge schildklierwerking bleek te hebben. Deze ziekte beïnvloedt o.a. de hormoonhuishouding waardoor zij de weg wat kwijtraakte. In die tijd werd ze verliefd. Dit tezamen met de onrust thuis doordat de jongens meer ruimte nodig hadden, en er ook steeds meer volk over de grond kwam, deed haar geen goed. De zaak escaleerde en er kwam een scheiding. Ik heb alle tranen van de wereld gehuild. Mijn redelijk sterke persoonlijkheid werd tot de grond toe afgebroken. In die tijd werd ik naast mijn zoons, Maartje en goede vrienden waaronder de familie Slot, intensief bijgestaan door Walter. We wandelden tientallen kilometers, pratend over het gebeurde. Hij was zelf ook op een zeer onaangename manier gescheiden.

Beschilderen van potten

Op gegeven moment kwam Walter met het idee om lege jampotjes in verschillende kleuren te beschilderen. Ik wilde dit wat grootser aanpakken en kocht op rommelmarkten lege weckflessen waarop wij allerlei beeltenissen schilderden. Er gingen waxinelichtjes in de potten en ‘s avonds genoten we van het kleurige schouwspel. We beschilderden samen zeker wel dertig potten. De frustratie van de scheiding werd hierdoor tijdelijk terzijde geschoven. Iedere avond branden er nu nog drie tot acht potten. Bij bijzondere gelegenheden of als Maartje het helemaal ziet zitten, branden ze allemaal. Dit heeft een enorme warmte-explosie tot gevolg.

Nettie

Nettie werd 22 augustus 1954 in Santpoort geboren en studeerde piano aan het conservatorium in Haarlem.
In de periode van mijn scheiding werd Herbert, de vriend van Nettie, erg ziek. Nettie werkt al 25 jaar als collega pianodocente aan de Muziekschool. Herbert overleed en Nettie en ik zochten steun bij elkaar. We belden elkaar iedere avond op en spraken soms wel een uur over allerlei zaken. We probeerden elkaar vooral op te vrolijken en in de duisternis waarin we vaak verkeerden zonnige elementen te onderscheiden. We dorsten in ons verdriet de namen van onze weggevallen geliefden te noemen en het gemis te accentueren zonder steeds schuldigen aan te wijzen. We bellen elkaar nog steeds en vrijwel dagelijks. In een spontane opwelling stelde ik haar voor om op vakantie naar Toscane (Italië) te gaan. Zij reageerde hier heel enthousiast op en in de zomervakantie 2002 boekten we een vliegtuig, huurden een auto en genoten met volle teugen van het verblindend mooie Toscaanse landschap dat ingekleurd is met okergele en sienna kleuren. Langzamerhand groeide onze vriendschap en nu is het zover dat ik in het najaar met weemoed mijn biezen pak en naar haar boerderijtje in Boyl verhuis. Het zal wennen zijn, maar we hebben het goed met elkaar, bijna dezelfde interesses en natuurlijke een mooie en vooral rustieke plek om te wonen. Nettie is een heel bijzonder iemand en ik ben blij met haar verder te mogen gaan.

Yolanda zong jaren geleden in een jazzbandje waarvan Nettie en ik deel uitmaakten, vandaar dat zij elkaar al kenden. Yolanda komt weer geregeld langs. Wij drinken dan samen ergens koffie, winkelen wat en brengen de rest van de dag met de jongens door. Het is goed het verleden te verwerken en de wrok te laten voor wat het is. Ik probeer me te concentreren op het positieve en zelfs de negatieve ervaringen hebben duidelijk een positieve invloed op de vorming van m’n eigen ik gehad.

Expositie Tamboer

25 februari 2004 is het dan zover! Mijn expositie in onze schouwburg de Tamboer. Een hele eer dat mijn schilderijen daar mogen hangen. Ik heb er hard aan gewerkt en ten slotte hebben Nettie en ik de tentoon te stellen werken samengesteld. Als onderwerp nam ik muziek en mystiek. Nettie bedacht de toepasselijke woordspeling MuzTiek. Het werk, variërend van abstract tot figuratief, werd goed ontvangen. Zes schilderijen zijn er nu verkocht. Altijd moeilijk om afstand van te doen: Ze zijn toch uit mij geboren.

Zie: Schilderen - Exposities Ed.

Problemen met gezondheid

Jarenlang heb ik last van hartoverslagen en ik ben een tijdlang behandeld voor hoge bloeddruk.
Als ik naar de muziekschool fietste, en dat deed ik bijna dagelijks, dan voelde ik geregeld een onbestemde pijn in mijn linkerborst ter hoogte van de oksel of op ongeveer dezelfde hoogte in de rug.
Ongeveer drie jaar geleden kreeg ik een verwijsbrief voor de cardioloog die me helemaal onderzocht. 24-uurs cardiogram, hartfilmpje en bloeddruk leverden niets bijzonders op en zelfs de fietstest was boven gemiddeld voor mijn leeftijd. De hartoverslagen stelden niets voor. Huppelend liep ik het ziekenhuis uit. Ik was als het ware in het bezit gekomen van een ‘carte blanche’. Het harde werken, de hoeveelheid wijn en het late naar bed gaan schenen toch niet zoveel invloed op me te hebben en ik wilde niets liever dan mijn leventje als vanouds te kunnen voortzetten. Na het onderzoek echter bleef ik het ‘onbestemde gevoel’ houden, terwijl dit dus blijkbaar volgens de heren medici niets bijzonders was!

Vanaf het jaar (2003) werd het heel druk. Ik heb bijna nooit zoveel optredens gehad als dat jaar. Het optreden met de Jubileum Big Band met als gast Cor Bakker kostte me waarschijnlijk het laatste restje energie dat ik nog had. De pijn werd intensiever en na katheterisatie, een onderzoek van de vaten waarbij ze via de lies naar binnen gaan, werd ontdekt dat mijn vatenstelsel behoorlijk door aderverkalking is aangetast. Twee vaten zitten voor 50% verstopt en een van de vaten bij de kransslagader zelfs voor bijna 80%. De haarvaten zaten dicht en waren helemaal niet meer te redden. Al met al een hopeloos vooruitzicht. Met het vijftal medicijnen dat ik kreeg, kan ik toch weer uit de voeten. Ik presteer het om zeker een uur te lopen i.p.v. tweehonderd meter en ook het fietsen gaat stukken beter. Heel deprimerend werkt de angst om een hartaanval of hersenbloeding te krijgen. In het begin dorst ik niet meer op de fiets te stappen. Toen dat wel weer ging, leek het alsof ik naar de tandarts moest voor een ingreep waar ik tegenop zag. Grotere afstanden lopen deed ik niet zonder Nettie, mijn nitroglycerine spray en mobiel, waar het alarmnummer 112 onder handbereik lag. Zondags reed ik altijd naar Nettie, maar dat dorst ik absoluut niet meer. Voor haar was het ook best afzien, hoewel ik de schat nooit hoor klagen. Zij is toch echt de reïncarnatie van Florence Nightingale. Heel geleidelijk verleg ik mijn grenzen, maar haal het zelfs nu nog niet in mijn hoofd om alleen een boswandelingetje te maken. Terwijl ik er niet meer op rekende, blijk ik toch gedotterd te kunnen worden. Het zal dan wel gaan om het 80% dichtgeslibde vat. In plaats van over negen weken ben ik donderdag 24 juni 2004 al aan de beurt. Volgens de cardioloog zal ik me hierdoor 50% beter moeten gaan voelen. Of dit zo zal zijn en of het dotteren überhaupt lukt, zal ik niet meer in dit boek kunnen verhalen.

Geen potten maar schilderijen en dagboeken

Zoals ik destijds mijn scheiding verwerkte met het beschilderen van potten, schilder ik nu schilderijen met tientallen gitaartjes en pianotoetsjes. Dit leidt me enorm af. Verder vind ik troost in het schrijven van mijn dagboeken/kronieken. Dit zijn er ondertussen 23. Een dergelijk boekje heeft een afmeting van 10 x 15 cm en telt 180 bladzijden. De kaftjes zijn door Nettie en mij beschilderd en ook staan er ter versiering en verduidelijking tekeningen en fotootjes in. In de boekjes staan bijzondere dingen die ik beleef en belangrijke of absurde dingen die in de wereld gebeuren. Ook steeds een hoofdstukje ‘Toeval’ over gebeurtenissen die meer dan toevallig zijn. ‘Synchronisatie’ noemde Jung dit. Verder is het samenzijn met Nettie en de bijzondere uitstapjes die we maken een welkome afleiding. Via e-mail houd ik iedereen op de hoogte, omdat telefoontjes me nogal vermoeien. Daar we dit jaar niet naar Toscane kunnen, de cardioloog vindt dit niet zo verantwoord, stelde Nettie voor een nieuwe videocamera te kopen. Ook een grote hobby van me. Als ik met de VUT ben, ga ik hier dankbaar gebruik van maken. Korte films, trucfilms, stukjes tekenfilm en samen met Nettie muziek inspelen. Ik ben dus nog lang niet uitgeblust! Misschien zit er nog een korte speelfilm samen met Joost in!

Zie: Schrijven - Dagboeken.

Als ik op mijn sterfbed mijn leven voorbij zie komen, kan ik zeggen dat ik alles in mijn leven gekregen, gedaan en bereikt heb waar ik van droomde. En zoals ik al zei, waren zelfs de tegenslagen een goed medicijn.
Bittere pillen die wonderen mogelijk maken en die vooral een waardering voor het leven kunnen bewerkstelligen.

En nu 28 augustus 2009:
Ben al een aantal jaren in de VUT en sinds 23 aug. 2009 met pensioen.
Schrijf nog steeds muziekboeken en schilder (ook exposities).
Ook schrijf ik korte verhalen.
Ik heb het heel goed met Nettie en wij hebben een prima contact met mijn ex Yolanda.
In okt./nov. word ik voor het eerst opa.
Ook dit jaar een nieuwe CD met Lianne die 70 jaar wordt. Nettie speelt hierop ook mee. Samen arrangeerden we de muziek. Lianne  kreeg een Koninklijke onderscheiding voor haar inzet voor de Groningse Cultuur.

Wordt vervolgd!